Project Mijn Huis Mijn Architect
Wonen in architecturaal spraakmakende woningen in Vlaanderen in de jaren '60 & '70
Wat masterthesis, KUL, prof. Hilde Heynen, 2006
Inleiding
Wonen in architecturaal spraakmakende woningen in Vlaanderen in de jaren '60 & '70
Wat masterthesis, KUL, prof. Hilde Heynen, 2006
Inleiding
Wanneer ik in de auto zit, rijdend door het Belgische landschap, kijk ik altijd naar de gebouwen langs de weg. Ganse slierten bakstenen doosjes zie je voorbijglijden. Af en toe springt er eens een huis in het oog. Zo weet ik langs wegen die ik vaak neem een aantal woningen staan, die wel eens onder de noemer “architectuur” kunnen vallen.
In 2000 kwam er het fijne initiatief “Mijn huis, mijn architect”, waardoor ik dan, als prille architectuurstudent, in een aantal van die woningen een kijkje kon gaan nemen. Deze interesse in de architectuur van het wonen is sindsdien zeker niet geluwd. Vandaar ook de interesse voor dit onderzoek.
Draagt de architectuur bij tot een meer boeiende woonervaring? Als toekomstig architecte verwacht je – hoop je - dat het antwoord op deze vraag “ja” zal zijn. De architect(e) is in zekere zin een idealist(e): door te bouwen aan een betere omgeving, hoopt hij/zij het leven van de gebruikers te verbeteren. Bij het bouwen van woningen komt dit misschien wel het sterkst naar voor. Via de architectuur wil de architect een intensere, meer kwalitatieve manier van wonen bieden en dus ook een meer boeiende manier van leven.
“De architectuur hoort thuis bij de poëzie en haar doel is de mens te helpen wonen.”
Christian Norberg-Schulz1
1 NORBERG-SCHULZ Christian, “Genius Loci. Naar een fenomenologie van de architectuur.”, in: HEYNEN Hilde, LOECKX André, DE CAUTER Lieven, VAN HERCK Karina, Dat is architectuur, Rotterdam: 010 (2004), pp.530-533, p.533
Mijn thesis wil op zoek gaan of dit het geval is voor de mensen die bouwden in de jaren ’60 en ‘70 waarvan hun huis de architectuurtijdschriften haalde, zoals A+ of La Maison. Eveneens wil ik onderzoeken hoe bewoners deze woningen ervaren, beleven en nu evalueren. Ik spits me toe op deze tijdsspanne omdat mijn onderzoek kadert in het doctoraatsonderzoek van Els De Vos. Zij bekijkt op welke wijze de diffusie van modernere woonnormen en woonvormen tijdens de jaren 1960 en 1970 gestalte heeft gekregen.
Besluit
De bezochte woningen zijn gekozen omwille van hun ‘architecturale spraakmakendheid’. Ze zijn gepubliceerd in tijdschriften en boeken. Ze verschillen in vorm en architecturaal concept: een woning die opgaat in het landschap, een smalle rijwoning waarin toch licht ruimte werd gecreëerd, een flexibele woning voor ouders en kinderen, een woning die deel uitmaakt van een ‘integrale’ woonwijk, …
Ze hebben gemeen: een verfrissende kijk op het wonen. De bewoners hebben een eigen visie op het leven en denken bewust na over het samenleven en samen wonen. De keuze voor architectuur is voor alle geïnterviewden een bewuste keuze. Een keuze die engagement vraagt van de bewoners. Als je je hele leven gewoond hebt in een traditionele woning met kamers, dan vraagt het wonen in een open ruimte een aanpassing. Maar daarna wil je niet meer terug. Ook moet het praktische soms inbinden voor het algemene concept. Maar men is bereid deze opofferingen te doen, omdat het architecturale concept een meerwaarde biedt aan het wonen.
De architectuur doet een verdienstelijke poging om om te gaan met de problemen van het moderne wonen. Enerzijds wil men licht, openheid, transparantie, flexibiliteit. Anderzijds blijft de mens verlangen naar geborgenheid. Deze woningen nemen geen toevlucht in illusie. Ze zijn resoluut modern, in hun architectuur en in hun inrichting. En toch kunnen de mensen er zich thuis voelen.
De architectuur biedt een antwoord op vragen naar afzondering en samenzijn. Vooral binnen het gezin ligt hier een grote nadruk op. De grote openheid benadrukt het belang van samenzijn. (...)
Qua interactie met de omgeving, met de buren, ligt de nadruk dan weer meer op afzondering. De alleenstaande woningen willen vooral interactie met de omringende natuur, en vergeten liever dat er buren zijn. De rijwoning kan dat natuurlijk niet doen. Dit type is op zich al socialer. De alleenstaande woning kan nochtans ook een goede bemiddelaar zijn in contact met de buren. Dat bewijst de woning uit de wijk ‘Zonneveld’ te Grimbergen. (...)
Mensen eigenen zich een woning toe door zich te omringen met dingen die betekenis hebben. Vaak zijn dat foto’s, reissouvenirs, dingen die men gekregen of geërfd heeft. Zulke dingen zijn we niet zo veel tegengekomen in de bezochte woningen. Wat we wel overal aantreffen is kunst. Een kunstwerk kan ook veel betekenen voor een bewoner. (...) Design is ook alomtegenwoordig in de woningen. De esthetiek en doordachte functionaliteit van deze meubels kunnen zijn gebruikers blijven boeien. Ze veranderen hun meubels dan ook zelden. Design gaat zeker een mensenleven mee.
De woningen zijn duidelijk kinderen van hun tijd. Je kan in de vormgeving elementen herkennen die passen in architectuurstromingen uit die periode. En toch zijn ze nog actueel. Als je niet op de hoogte bent van het bouwjaar, zou je moeite hebben om te geloven dat ze dertig of veertig jaar oud zijn. Ze zijn niet gedemodeerd, maar hebben een bepaalde tijdloosheid. Dit kenmerk kunnen de bewoners erg waarderen in hun woning. (...)
